Nederland heeft geen leeg land (deel 2a)

Waar we gebleven waren

Deel 1 eindigde met de woorden: Nederland groeide om zijn platteland heen. In dit deel, deel 2a bekijken we hoe dit in de statistieken eruit ziet. In deel 2b kunnen we dan kijken of  Nederland de uitzondering is in Europa?  Maar wie landen wil vergelijken, moet eerst weten waarmee en hoe er gemeten wordt. We starten met de meetlatten uit figuur 1 uit het eerste deel en bekijken ze stuk voor stuk nader. Hieronder de figuur uit deel 1 nogmaals, zodat we onze route weer scherp voor ogen hebben.

Tijdlijn van de ontwikkeling van plattelands- en stedelijkheidsdefinities in Nederland (CBS), Europa (Eurostat) en de OESO tussen 1947 en 2026, inclusief urbanisatiegraad, omgevingsadressendichtheid (OAD), COROP-indeling, Urban-Rural typologie, DEGURBA en TL3-classificaties.
Ontwikkeling van de Nederlandse, Europese en OESO-definities van platteland en stedelijkheid tussen 1947 en 2026.

De route is van dichtbij naar veraf. We beginnen met hoe Nederland zichzelf indeelt, en wat die indeling wel en niet ziet. Daarna leggen we Nederland langs de Europese liniaal. Zo kijken we naar Nederland zoals we in deel 2b ook naar andere landen binnen Europa doen. In deel 2c komt de OESO-indeling aan bod.

Nederland

CBS Urbanisatiegraad

 In 1947 introduceerde het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) bij de volkstelling de urbanisatiegraad, de eerste landelijke maat voor stad en platteland. Die indeling deed dienst tot 1992. De eenheid was de gemeente en de indeling was drieledig:

  1. Plattelandsgemeenten: Agrarische gemeenten met > 20% agrarische beroepsbevolking
  2. Verstedelijkt platteland: <20% agrarische beroepsbevolking met tussen de 5.000 tot 50.000 inwoners per kern
  3. Stedelijke gemeenten: Gemeente met 1 of meerdere kernen >50.000 inwoners.

De keuze voor de gemeente als eenheid was vooral praktisch: een begrenzing die voorhanden was en heel Nederland dekte. Maar de maat zelf, agrarische beroepsbevolking, zegt iets wezenlijks. Platteland was in 1947 een plek waar werd gewerkt, geboerd, geleefd. De statistiek keek vanuit het platteland naar het platteland.

De verandering van de jaren negentig was daarom meer dan een technische. Het was een wissel van bril én van standpunt. Nederland ging vanuit de stad naar het platteland kijken, met een bril die vooral zag: hoeveel huizen staan hier, hoeveel adressen zijn hier?

CBS OAD

OAD staat voor Omgeving Adressen Dichtheid: het aantal adressen binnen een cirkel met een straal van één kilometer rond een adres, gedeeld door de oppervlakte van die cirkel. De uitkomst is dus een dichtheid, adressen per km². Een adres is iets anders dan een inwoner. Op één adres kan één iemand wonen, of een gezin van tien.

Met die cirkel wordt niet langer statisch gemeten, maar dynamisch. De cirkel beweegt mee: elk adres krijgt zijn eigen dichtheidswaarde. Een gebied, een buurt of een gemeente, krijgt vervolgens zijn klasse op basis van de gemiddelde OAD van alle adressen in dat gebied. Vijf klassen zijn er:

  1. Zeer sterk stedelijk: OAD => 2.500 adressen/km2
  2. Sterk stedelijk: OAD 1.500 – 2.500 adressen/km2
  3. Matig stedelijk: OAD 1.000 – 1.500 adressen/km2
  4. Weinig stedelijk: OAD 500 – 1.000 adressen/km2
  5. Niet stedelijk: OAD < 500 adressen/km2

Platteland komt niet meer voor als categorie; het is niet-stedelijk geworden. Wie in de tabel zoekt op platteland, vindt niets. Het CBS gebruikt het woord zelf nog wel eens, als roepnaam voor de onderste klassen. Maar dat bevestigt het punt eerder dan dat het, het weerlegt: platteland is geen eigen categorie meer met een eigen maat. Het is wat overblijft onder de 500 adressen per vierkante kilometer.

De stedelijkheidsklassen per gemeente ziet er bij benadering anno 2026 zo uit:

Tabel met de verdeling van Nederlandse gemeenten over de vijf CBS OAD-stedelijkheidsklassen inclusief inwoners en oppervlakte.
Verdeling van gemeenten, inwoners en oppervlakte over de vijf CBS OAD-stedelijkheidsklassen.

De indeling voor stedelijkheid per klasse per COROP gebied ziet er zo uit:

Tabel met de verdeling van Nederlandse COROP-gebieden over de CBS OAD-stedelijkheidsklassen.

Kijk nu wat er gebeurt. Op gemeenteniveau telt Nederland 49 niet-stedelijke gemeenten: ruim 1,2 miljoen mensen, ruim een kwart van de oppervlakte. Tel je precies dezelfde adressen op naar de veertig COROP-gebieden, dan is de categorie leeg. Nul gebieden. Er is geen huis bijgebouwd en geen adres verplaatst. Alleen de vakjes waarin we tellen zijn groter geworden.

Statistici hebben daar een naam voor: het Modifiable Areal Unit Problem, kortweg MAUP. De uitkomst van een telling hangt mede af van de gebiedsindeling waarmee je telt. Grotere vakjes, en het platteland verdwijnt uit de tabel. Kleinere vakjes, en het verschijnt weer. Onthoud dat effect. In deel 2b leggen we Nederland naast Duitsland en Frankrijk, en dan is dit de vraag die alles beslist: vergelijken we landen, of vergelijken we hun vakjes?

Er is nog een tweede patroon dat het signaleren waard is: oppervlakte loopt per categorie precies andersom dan inwoners. De klassen waar de minste mensen wonen, beslaan het meeste land. Wie in de categorieën weinig stedelijk en niet-stedelijk woont, kijkt dus naar een heel ander Nederland dan de tabellen met inwonertallen suggereren.

En daarmee is de eerste meetlat gelegd. Hoe je meet maakt uit, en hoe grof of fijnmazig je meet maakt ook uit. Maar de grote lijn is op elke binnenlandse maat dezelfde: gemeten in inwoners is Nederland zeer verstedelijkt, gemeten in oppervlakte is het dat veel minder. De vraag is nu of die uitkomst iets over Nederland zegt, of over de Nederlandse meetlat. Daarvoor is maar één remedie: dezelfde liniaal, voor iedereen. Naar Europa.

Europa

Hoe beschrijft Eurostat de gebieden binnen landen van de Europese Unie? Onderstaande tabel geeft dat aan:

LaagCriterium omschrijvingCriterium in getallen
Hoofdklasse (per NUTS 3-gebied)Aandeel van de bevolking dat in rurale gridcellen woontOverwegend stedelijk: < 20% · Intermediair: 20 tot 50% · Overwegend ruraal: > 50%
Subklasse (remoteness)Aandeel van de bevolking dat binnen 45 minuten rijden het centrum van een stad van ≥ 50.000 inwoners bereiktNabij een stad: ≥ 50% · Afgelegen: < 50%
Gridcel (1 km²)Een cel hoort bij een “stedelijke cluster” bij voldoende dichtheid én massa; alles daarbuiten is een rurale cel≥ 300 inwoners/km² én cluster-totaal ≥ 5.000 inwoners

Twee dingen vallen op aan deze manier van meten.

Ten eerste: waar het CBS een cirkel laat meebewegen rond elk adres, legt Eurostat een vast raster over de kaart, een vel ruitjespapier met vakjes van één vierkante kilometer.
Ten tweede: de “stedelijke cluster” uit de tabel is geen bestuurlijk gebied. Het is een klont donkere ruiten, het zijn aan elkaar grenzende vakjes met minstens 300 inwoners per vierkante kilometer, samen goed voor minstens 5.000 mensen. Zo’n cluster van vakjes heeft geen naam en geen grens die ooit ergens is vastgesteld; hij kan dwars door gemeentegrenzen lopen, en bij Heerlen en Aken zelfs dwars door een landsgrens.

Een cluster is dus nadrukkelijk géén COROP-gebied. Het COROP-gebied komt pas op het laatst in beeld, als rapportagevakje: per gebied wordt geteld welk deel van de inwoners buiten de clusters woont, en dat percentage bepaalt het etiket.

De meting gebeurt op de vierkante kilometer; alleen de samenvatting gebeurt in vakjes. Onthoud ook dát, want daar komen we bij de landenvergelijking op terug.

Nederland

De tabel voor Nederland volgens Eurostat ziet er als volgt uit op hoofdklasse per NUTS 3-gebied

Tabel met de Eurostat-indeling van Nederlandse NUTS 3-gebieden in overwegend stedelijk, intermediair en overwegend ruraal.
Getallen zijn bij benadering volgens meest recente en voldoende complete gegevens. Aanvulling brondata was soms nodig.

We zien in bovenstaande tabel dat Nederland 1 ruraal gebied heeft. De meeste COROP gebieden zijn overwegend stedelijk. Het aantal inwoners in ruraal gebied is daarmee 1%. De oppervlakte ruraal gebied is 2% van het Nederlandse landoppervlak. We zien nu dat Nederland weinig ‘leeg’ land heeft en weinig inwoners heeft die in een ‘lege’ omgeving wonen.

Tabel met de Eurostat-remotenesssubklassen voor Nederland, onderscheiden naar nabijheid van stedelijke centra.
Getallen zijn bij benadering volgens meest recente en voldoende complete gegevens. Aanvulling brondata was soms nodig.

De subklassen gaan over remoteness. En remoteness betekent in gewoon Nederlands: Hoe dichtbij is de stad? Is die bereikt binnen 45 minuten rijden? Voor zowel gebiedstype Intermediair als Ruraal is dat antwoord: Ja, binnen 45 minuten ben je in de stad. En dat betekent dat ‘de stad’ in 45 minuten ook bij jou, in je rurale gebied is.


Tot zover de rapportagevakjes. Die laten we nu los en we dalen af naar waar gemeten wordt: de ruiten. Eurostat doet daar zelf nog één bewerking op, het klonteren tot stedelijke clusters en ook die laten we straks los. Maar eerst: wat zegt Eurostat op ruitniveau?

Waar wonen Nederlanders, per gridcel (2021)Aandeel inwonersAantal (afgerond)
In een stedelijke cluster (de klonten)  86,6%± 15,1 miljoen
– waarvan in een stedelijk centrum48,8%± 8,5 miljoen
In rurale gridcellen (alles buiten de klonten)13,4%± 2,3 miljoen
Bron: Eurostat, Urban-rural Europe 2024, Table 2 (aandelen); aantallen berekend als aandeel × inwonertal 2021, afgerond.

Dertien procent ruraal dus, geen 0,6%. Zelfde land, zelfde jaar, zelfde Eurostat. Het verschil zit niet in de werkelijkheid maar in de meetlat: op COROP-niveau verdwijnen 2,2 miljoen plattelandsbewoners in het gemiddelde van hun stedelijke vakje. Hoe je meet, bepaalt de weergave, hier staat het in cijfers.

Maar ook deze meetlat heeft een blinde vlek, en die is voor dit verhaal de belangrijkste. Eurostat kent op de vierkante kilometer maar twee smaken: je ruit hoort bij een klont, of niet. “Ruraal” is een restcategorie. Een ruit met 250 inwoners en een ruit met 3 inwoners krijgen hetzelfde etiket. Over hoe léég het lege land is, waar dit hele verhaal om draait, zwijgt de officiële telling.

Ruitjes meten

Daarom gaan we nu zelf meten, op diezelfde ruitjes, met dezelfde openbare data, maar één slag fijner: elke cel ingedeeld naar zijn eigen inwonertal. Dit is nadrukkelijk niet Eurostats officiële indeling, de klont-logica laten we los, maar een eigen decompositie, met de grenzen 50 en 300 die Eurostat zelf hanteert in zijn verfijnde niveau-2-indeling.

In deze berekening is alle buitenwater uit de oppervlakte van een land gefilterd. Dat maakt het landenvergelijk voor deel 2b eerlijker. Ook voor Nederland zelf is het juister want op grotere wateroppervlakten wordt niet gewoond. Inwoneraantallen zijn van 2021 i.p.v. 2024. Dit komt omdat de dataset voor QGIS geen recentere data bevat.

Tabel met de verdeling van Nederlandse gridcellen van één vierkante kilometer naar bevolkingsdichtheid.
Eigen QGIS-analyse van Nederland op basis van gridcellen van één vierkante kilometer.

Op basis van gridcellen is de bevinding dat 93% van de inwoners van Nederland in stedelijk, verstedelijkt gebied woont.
We kunnen vaststellen dat van de inwoners in klasse ‘intermediaire’ velen naar de klasse stedelijk zijn gegaan en 170k naar ruraal. Totaal ruraal is op basis van gridcellen 274.537. In oppervlakte dus veel, qua bewoners weinig. De lege gridcellen zijn vooral natuurgebieden.

Wederom wordt bevestigd: Hoe je meet, bepaalt de weergave.

En gridcellen zijn star. Wat als je alle gridcellen een halve cel opschuift. Wat als je het ”ruitjespapier” nou ‘ietsje’ verschuift. Zo kun je bezig blijven. De werkelijkheid is werkelijkheid. Data is altijd maar een benadering van de werkelijkheid en nodig om de werkelijkheid in een database te duwen.

Anderzijds wie door z’n wimpers kijkt ziet in alle tabellen hetzelfde: De meeste mensen wonen in de stad in Nederland. En die stad is altijd dichtbij. En daarmee heeft de stad veel invloed op het buitengebied. Democratisch ook juist in mijn ogen, want het is ons land. Niet van een gemeente en niet van een provincie. Met 45 minuten gaat het altijd over ons, ons allemaal in Nederland.

Nederland is Nederstad: Een land met veel verstedelijking met daartussen (stads)parken.

Tot zover deel 2a.  A.s. dinsdag  komt deel 2b.
In deel 2b vergelijken we Nederland met andere Europese landen.